Uit de oude doos

 

 

 

 

 

 

De 20e eeuw: het einde van een tijdperk

 

De naam van de laatste vakmolenaar op de Leumolen, Martinus Jacobus Hubertus van de Laar, staat in het gebint van de Leumolen gebeiteld met het jaartal 1932. Hij vertrok in 1955. Maar het  zou ook kunnen zijn dat de oudste zoon Martin zijn naam vereeuwigd heeft. Martin van de Laar trouwde in 1935 in Geleen en was toen mijnwerker. Later lijkt de datum 21 april 1941 toegevoegd, vooralsnog is de betekenis een mysterie.

 

 

 


 

 1915 - 1920

 

                                                                

1915

 

Deze voorzover bekend een na oudste foto van de Leumolen is geplaatst in het geïllustreerde weekblad “De Prins”, het nummer van 24 juli 1915. Nadien is de foto herplaatst in de uitgave “Noord-Brabant en Limburg in beeld”, van A.Loosjes in 1927. Tegen de achtergevel van de molen staat een houten aanbouw. Het onderschrift bij de foto: Oude watermolen, genaamd “St.Ursula”, gelegen in een fraai landschap bij het dorpje Nunhem, ten noorden van Roermond; deze watermolen wordt nog dagelijks gebruikt en goed onderhouden.

 

De oudste foto is 19e eeuws (zie pg Oudste foto).

 

 

                                    

 

                                       1917: de Leumolen, de Leubeek, het Leudal (Foto: Leclercq)

 

 

 


 

  1920 - 1930

 

 

Leonard Smeets (1852-1941), met roepnaam Lin en bijnaam Lue Lên, trouwde in 1881 Petronella Hubertina W(e)ijers (1856-1938) roepnaam Nelke. Lin en Nelke werden gezegend met een aantal kinderen maar verdriet werd hun niet bespaard: In 1882 werd dochter Anna Maria geboren en in 1884 en 1887 volgden twee zonen. In 1899 kwam een derde zoon levenloos ter wereld en de tweede dochter, geboren rond 1890 stierf een jaar na haar geboorte. In 1894 zag de benjamin van het gezin het levenslicht: Joannes Antonius Hubertus, roepnaam Toon.

 

Volgens het bevolkingsregister van Nunhem werd Toon in 1920 molenaar op de Leumolen, hij is dan 26 jaar oud. Maar een kaart die dat jaar rondgestuurd werd en waarop de nieuwe molenaar zich aanbeveelt, is ondertekend door vader Leonard Smeets (zie de pagina ‘Molenaars’). Leonard is dan 68 jaar oud. Drees en de AOW lagen nog ver in de toekomst en er moest in het onderhoud worden voorzien. Achterkleindochter Elly Schumulder: “uit verhalen weet ik dat Lin en Nelke een armoedig bestaan hadden op de molen”.

 

Dochter Anna Maria Smeets was in 1908 getrouwd met Jacobus van Roy en kreeg een dochter in 1911. Het echtpaar had een boerenbedrijfje en deze dochter wist zich te herinneren dat zij op 12-jarige leeftijd, dus rond 1923, met koffie en brood naar de Leumolen moest waar haar vader vaak lijnolie en veekoeken aan het maken was, kortom olie sloeg. De herinnering was scherp, want ze moest alleen door het bos, vond dat eng en dat was haar bijgebleven.

  

 

                      Nelke en Lin Smeets  (ca 1932)

               met  dank aan mevr. E.Schumulder

 

 

 

           

 

                                                                            detail van een ansichtkaart verstuurd in 1931 (met dank aan Wim Bongaerts)

 

Oorgetuige-verslag

 

“Het moet in het midden van de twintiger jaren zijn geweest dat (…)   Zo’n molen had ik nog nooit gezien. Het schoepenrad draaide jammer genoeg niet, maar ze legden uit hoe het stromende en neervallende water het rad in beweging zette en hoe dan binnenin de molen een rad in beweging kwam waardoor tenslotte de molenstenen gingen draaien. Af en toe werkte de molen nog, hoorden wij. Maar druk was het er meestal niet.”

 

randstedeling Leni Verstegen, 70 jaar na dato in het tijdschrift ‘Rondom het Leudal’ over de Leumolen

 

 

  

Martinus Jacobus Hubertus van de Laar (1888-1970), roepnaam Jacq of Jac en voormalig molenaar op de Hammermolen in Neer, nam in 1927 het stokje over van molenaar Leonard Smeets. Van de Laar hield het olieslaan voor gezien en begon een camping op het veld aan de andere kant van de beek.

 

Getuige de inkervingen die als souvenirs zijn achtergelaten in de molen, kampeerden er geregeld groepen. De padvinderij Haarlem, Doorn en de Katholieke Jongeren Vereniging Breda hebben hun sporen achtergelaten.

 

 

                   

 

        P.V. staat voor Padvinderij, Tr voor Trekkers. Het laatste woord is een vertaling van het Engelse ‘rovers’, voortrekkers. Het

        was een speltak binnen de padvinderij / verkennerij voor jongeren vanaf 17 jaar.

 

 

Kroost

 

Jac van de Laar huwde in 1912 met Maria Catharina Korten (1878-1913), zij stierf in het kraambed een maand na de geboorte van zoon Martin (Martinus Lambertus Jacobus, 1912-1990). Van de Laar hertrouwde ruim zes maanden later en de kinderen uit dat huwelijk hadden er lang geen weet van dat de eerstgeborene in het gezin geen volle broer was; tot iemand in alle onschuld naar de ‘halfbroer’ vroeg..

 

Het echtpaar Jac van de Laar - Maria Hendrica Geertruda Rietra (1888-1952) kreeg negen kinderen, waarvan de eerste (1914) maar een paar maanden oud werd. De andere acht waren: Sjaak (1915), Liza (1916), Annie (1917), Lenie (1918), Betsy (1920), Bair (1923), Tjeu (1928) en Sef (1930). De laatste twee werden Op Leu geboren.

 

 

 


 

1930 - 1940

 

 

Engelbewaarder

 

De aandrijving van het maalwerk van de molen gebeurde destijds door een in de kelder geplaatste turbine. In een winternacht, toen van de Laar ’s nachts laat het maalwerk wilde stoppen, kreeg hij de kleppen in de turbine-kelder niet dicht gedraaid doordat zich ijs voor de kleppen had verzameld. Hij daalde via een ladder af naar de bodem van de kelder gewapend met riek en mand om het ijs weg te scheppen.

 

Moeder van de Laar werd midden in de nacht wakker, miste haar man en ging ongerust op zoek. Toen ze hem na lang zoeken in de kelder zag zitten, barstte ze in snikken uit. Van de Laar kwam naar boven om haar te troosten en hij was nog niet van de ladder af of de sluisdeuren begaven het en in luttele seconden stond de kelder onder water.

 

naar de aantekeningen van Tjeu Ramaekers, 1991

 

 

      Gescalpeerd

 

Op dagen dat van de Laar afwezig was, moesten de jongens vader helpen in de maalderij. Van de Laar haalde overdag met het paard graan op bij de boeren en maalde dit vaak ’s avonds of ’s nachts en bezorgde het daags erna weer bij de boeren. Dit soms tot in Kessel toe. De boerderij langs de molen werd toen ook reeds door twee gezinnen bewoond.

 

Toen van de Laar weer eens afwezig was en de jongens aan het ‘kuiten’ waren geweest, was er hen een drijfriem afgelopen. Om de zaak weer draaiende te krijgen werd de assistentie ingeroepen van buurman Naus. Zittende op een knie draaide Naus aan een wiel de klep weer omhoog. Toen hij omhoog kwam had hij er geen rekening mee gehouden dat de boven hem hangende ijzeren tandwielen ook weer in beweging waren gekomen.

 

Toen hij omhoog kwam, raakte hij met zijn hoofd tussen het rondsel en het kamwiel. In een fractie van een seconde werd hij gescalpeerd. Zijn hoofdhuid met de haren werden naar een kant op zijn oor geschoven. Onmiddellijk greep hij met beide handen naar de pijnlijke plaats en schoof de zaak weer op zijn plaats. Het bloed liep hem in de klompen voor hij uit de molen was.

 

Met de handen op zijn hoofd liep Naus naar huis. Moeder Naus pakte een handdoek uit de kast en legde deze zoals hij in de kast opgevouwen had gelegen op zijn hoofd. Met een andere handdoek onder de kin vastgeknoopt werd het noodverband op zijn plaats gehouden. Het bloed kwam door de opgevouwen handdoek heen.

 

Toen later dokter Windhorst uit Neer eens om een andere reden bij hem thuis kwam en hij hem over het geval vertelde, o.a. dat hij wel had moeten gaan liggen omdat hij zich duizelig voelde, zei die tegen hem: “Je had er ook nog een pak slaag bij moeten krijgen.” want Naus had er geen dokter bijgehaald.

 

door Tjeu Ramaekers, 1991

 

 

 

Ondernemingslust

 

Jac van de Laar was een ondernemend type. Advertenties die hij plaatste in 1935 en 1936 geven een inkijkje. Maart 1935 had hij “wegens de aanschaf van een vrachtauto een aftands paard met tuig en prima lange kar voor ieder bedrijf geschikt” in de aanbieding. Die zomer promootte hij de Leumolen als rustplek waar een glaasje gedronken kon worden. Het jaar daarop adverteerde hij met het natuurbad “de Leumolen”, goed per auto te bereiken en met voordelig abonnement. Verder bood hij een dames- en heerenkapster aan en Liza van de Laar beval zich beleefd aan als naaister. Dochter Liza of Lieske (Elizabeth Helena, 1916-2003) was gediplomeerd coupeuse en lerares in het vak, ze werkte vanuit de Leuhof.

 

 

 

 

           rechts molenaar van de Laar (Foto: met dank aan en uit het archief van de familie van de Laar),

    hij nam vaak niet de moeite de trap naar beneden te nemen, maar sprong uit de deur boven hem

 

 

 

            Een alcoholvrije drank in de volle natuur

 

Een tocht langs de Leubeek in 1935

 

“Na een kwartier bereikten wij den derden molen, de Leumolen, die in een verbreeding van het dal eenzaam tusschen de bosschen ligt. Het is een oud, eenigszins vervallen gebouw met een klokkentorentje en een oud houten beeld van de heilige Ursula in een nis aan den voorgevel. Een smalle zijarm der beek, waarschijnlijk gegraven, loopt hier vlak langs den hoogen zandoever, overschaduwd door een rij prachtige Canada’s, die met hun bovenste takken de dennen raakten.”

 

een verslag van W.L.Leclercq

 

 

                       

 

                     

 

                                Advertenties van zomer 1935

 

 

 

Een “frissche drank met heerlijk gebak” achter de Leuhof en poseren voor de oude Ursula in 1935. Dat jaar zou ze weggehaald worden voordat de molen via een openbare veiling verkocht zou worden.

 

 

 

Foto’s:

Rondom het Leudal, uit het archief van Frits van Horne

  

  

                   

 

 

 

               De molen heeft op bovenstaande foto een turbinehuis en de oude Ursula staat in haar nis. Dat dateert de foto

               tussen 1911 en 1935. In 1920 waren beide deuren in de voorgevel nog egaal donker, op deze foto heeft de

               benedendeur hetzelfde chevron patroon als op de bovenstaande foto uit 1935. En evenals in 1934 en 1935

               staat er een tweewielige huifkar voor de deur,. De aanname is dat de foto uit de eerste helft van de dertiger

               jaren dateert (Foto: met dank aan en uit het archief van Frits van Horne).

 

 

 


 

Natuurbad en kampeerterrein “De Leumolen”

 

                                                                                                            

                                          

 

 

 

                                                                                                                                  Advertenties in de zomers van 1935 en 1936

 

 

 

      

 

Wervingscampagne

 

Op 27 juni en 1 augustus 1936 zette Jac v.d. Laar een stevige advertentiecampagne in: in de Limburger Koerier plaatste hij twee keer vijf advertenties in één kolom, tussen andere aanbevelingen, mededelingen en oproepen. Links zijn de advertenties onder elkaar gezet.

 

 

 

de Limburger Koerier, 5 juni 1937

 

Daarna werd er weinig meer geadverteerd. Maar juni 1940 meldden vele kranten in een overzicht ‘Waar gekampeerd kan worden’ ondermeer ‘Nunhem (L.): bij den Leumolen, terrein van Jac. van Laar’.

 

 

 

Lendedoek

 

“In de jaren tussen 1930 en 1940 was zwemmen een sport waar de geestelijkheid nog een vraagteken bij zette. Doch vader van de Laar trok zich in dit geval niks van de pastoor aan en richtte het weiland voor de molen in voor ‘natterikken’, door o.a. rietmatten te plaatsen die alles aan het oog onttrokken. Zoon Bair van de Laar vertelde dat in die tijd zwembroeken nog onbekend waren. De heren hadden zo’n soort slabbetje tussen de benen. Er liep er eens een bij de molen in de wei die zich met een lendedoek omgord had die ’s morgens waarschijnlijk nog als kleedje voor het handdoekenrek had gehangen. Er stond aan de voorkant op geborduurd: ‘Moeders lieveling’.”

 

door Tjeu Ramaekers, 1991

 

 

Schending van de eerbaarheid, gelummel en het lieve leven

 

een ingezonden brief in de Nieuwe Koerier

 

Alles behalve van de natuur genieten ..

 

 

W.L. Leclercq uitte in een brief aan ‘de Contactcommissie’ in augustus 1944 zijn bezorgdheid over het soort belangstelling dat het Leudal trekt:

 

“Sedert 1935 ben ik al bezig te hameren op het aambeeld van bescherming der Leu-beek tegen de belangstelling van het publiek; het is nu 1944 en de toestand is, zoals ik dezer dagen heb kunnen constateren, onhoudbaar geworden. Wanneer men van St. Elisabeth stroomafwaarts gaat is het al druk, te druk voor dit tere landschap; maar bij de Leumolen begint het lieve leven eerst recht. Daar wordt druk gekampeerd, gebaad en gelummeld en U weet wel wat een vieze rommel dat meebrengt. Overal in het struikgewas komt men mensen tegen, die alles doen behalve op een behoorlijke manier van de natuur genieten.”

 

 

 

Mevrouw Dora van de Laar, weduwe van Sef (Josephus Martinus Servatius, 1930-2008), de jongste zoon van de molenaar, vertelde de familie-anekdote dat de pastoor van Nunhem bij de molen langskwam en de campinggasten in korte broek zag lopen. Hij maakte daarover een afkeurende opmerking tegen van de Laar die antwoordde: “Kan je daar niet tegen? Ik wel!”

 

 

 

                       

 

                                  de Leubeek

 

 

 


 

1940 - 1950

 

 

  

 

                                   De Leumolen met op de luiken een zandloperpatroon, Ursula is vertrokken en

                                              daarmee dateert de foto van na 1935  (Foto: archief familie van de Laar)

 

 

 

                                            Een foto uit de Panorama Stad Amsterdam van 14 augustus 1941

 

Oorlogsjaren

 

Om langs de klanten te gaan werd weer paard en wagen ingezet en daar de zonen op een gegeven moment ondergedoken zaten (‘binnen bleven’), moest dochter Annie (Anna Helena, 1917-2015) ermee op pad. Ze had geen idee van de route, maar het paard wel: het hield keurig uit zichzelf voor ieder adres van een klant halt. Ook de jonge Sef moest nu aanpakken en zware zakken graan en meel sjouwen; hij is er erg sterk door geworden zegt de familie achteraf.

 

Veel molens in Limburg speelden in de laatste oorlogsjaren een belangrijke rol in de voedselvoorziening, vooral watermolens vanwege hun onopvallende bouw konden een bijdrage leveren. Het maalwerk van de Leumolen was inmiddels verzegeld, maar van de Laar maalde daar niet om en liet de molen haar steentje bijdragen. Er werd zelfs weer olie geslagen, hoewel het geluid van de slaande heien angstig ver door kon dringen (herinneringen van de familie van de Laar).

 

In november 1944 trokken de Duitsers zich terug en ‘Sprengcommandos’ vernielden bruggen, molens en kerken. Op 15 november werd ook de brug bij de Leumolen opgeblazen.

 

 

Over een minuut ‘muss die Brücke sprengen’ zei een Duitser

 

De Duitsers waren met zijn vieren toen ze kwamen melden dat de brug de lucht in zou gaan. Twee vertrokken na de installatie van de springstof richting Haelen. Twee bleven achter voor de bewaking van de explosieven. Ze gingen bij de mulder binnen zitten en gingen de hele nacht niet meer naar buiten naar hun constructie kijken. Eentje zat apatisch met het hoofd tussen de handen aan tafel, de ander was iets levendiger, hij ‘geloofde’ er nog in.

 

Een van de Duitsers zei dat de boel veel te zwaar geladen was. Van de Laar kreeg het voor elkaar dat ze de ramen open mochten zetten voor de klap. Om drie uur ’s nachts op afstand een klap toen de munitie op de beugelbaan bij cafe Scheres tot ontploffing werd gebracht. Een half uur later verschoven er pannen op de boerderij langs de Leumolen toen in de molen bij Scheres opgeslagen munitie tot ontploffing werd gebracht. Deze pannen schoven nog verder naar beneden toen tegen zes uur ’s morgens (het was nog niet licht) de Wiërse brug de lucht in ging.

 

Tegen zeven uur ’s morgens kwamen twee Duitsers bij de molen op een fiets in grote haast vanaf Haelen bij de molen aan. Van de Laar werd meegenomen. Een minuut voor zeven uur stonden de Duitsers met van de Laar op een honderdtal meters voorbij de overlaat op de weg richting Roggel te wachten. Over een minuut ‘muss die Brücke sprengen’, zei een Duitser die op zijn horloge keek. Dit gebeurde. Toen de brug bij de molen de lucht inging, waren de bevrijders aan het motorgeronk te horen reeds bijna bij cafe Goeden. Na de klap was de brug en ook het dak van de molen weg. “Het is de enige keer geweest dat ik mijn vader heb zien huilen” zei zoon Bair. *

 

Het maalwerk van de molen was zij het met enige handicap intact gebleven. De voor het kelderraam van het woonhuis gestapelde zandzakken, bedoeld om granaatscherven buiten te houden, waren door de luchtdruk de kelder ingeblazen. Het dak van de molen is later provisorisch door de jongens gedicht met hout uit het bos en bijelkaar gezochte pannen. Ook de kleppen voor het turbinerad hadden het begeven en vanaf dat moment kon het in en uit bedrijf stellen van het wiel enkel d.m.v. de sluizen worden geregeld.

 

citaten uit twee getuigenverslagen opgetekend door Tjeu Ramaekers, 1991

 

* Roel van de Laar, kleinzoon van de molenaar en zoon van Sef en Dora van de Laar, heeft een aanvulling op deze gebeurtenis. De Duitsers dachten dat molenaarszoon Bair (schrijfwijze van Ramaekers) (Lambertus Sebastianus, 1923-1996) de springlading mogelijk gesaboteerd had. Zij hadden hem even verderop tegen een boom gezet en gedreigd dat als de brug niet de lucht in zou gaan, ze hem zouden liquideren.

 

De rest van het gezin zat in de kelder van het woonhuis, de explosie was zo krachtig dat de vloer omhoog kwam.

 

 

 

 

 

Boven:  De bovendeur is zijn zandloperpatroon kwijt, het raam daarnaast is vernieuwd (het heeft meer ruitjes gekregen) en de klimop is nog niet zichtbaar op de voorgevel. Het rechter benedenraam heeft geen luik meer. Deze kenmerken dateren de foto  van rond 1950. Opmerkelijk is de brug: het brugdek bestaat uit boomstammetjes (noodbrug na de oorlog?). Foto: uit het archief van Frits van Horne.

 

Er bestaat een tweede, eveneens ongedateerde foto van de boomstammetjesbrug (rechts).

   

 

 

Camping

 

Ook na de oorlog exploiteerde van de Laar een camping bij de Leumolen. De familie van de Laar heeft in haar archief een klein foto-album uit 1947 dat als nieuwjaarsgeschenk opgestuurd werd door de N.P.V. Troep III Willem de Zwijger te Dordrecht: “in dankbare herinnering aan een buitengewone vacantie bij de Leumolen”

 

 

 

Een pagina uit het album:

de Leumolen / een gedicht / vol poezie op t eerst gezicht / hoe schilderachtig / fijn van kleur / in zonneschijn en bloemengeur!

 

De inmiddels overleden pastoor die aanstoot nam aan de kampeerders wordt in het album een paar keer gememoreerd. Waren dat kampvuurverhalen over hoe het was voor de oorlog?

 

 

 

 

                                                                                                                                                                                            ca 1950

 

Ursula

 

“Bij de Ursula- of Leu-molen wordt het bos onderbroken door enige akkers en weilanden met populieren. Het molenhuis heeft een groot, afgewolfd pannendak met torentje en oud olieslagwerk; in de voorgevel bevindt zich een nis, waarin vroeger een primitief houten beeld van de H.Ursula stond; het is door de vorige eigenaar meegenomen toen hij de bezitting verkocht.”

 

uit het wandelboek van Leclercq, 1949

 

 

 


 

1950 - 1960

 

De laatste molenaar

 

In 1952 overleed de molenaarsvrouw, de familie denkt dat ze gestorven is van verdriet om de dood van haar op een na jongste zoon Tjeu (Mathias Servatius, 1928-1949) die in Nederlands Indië sneuvelde. Drie jaar later vertrok molenaar Jac van de Laar op 67-jarige leeftijd van de Leumolen naar Nunhem Dorp. Hij betrok de woning die hij bouwde aan de Kampweg, met de kinderen Liza, Annie en Sef.

 

Van de Laar kreeg geen opvolger meer, de eigenaar van de molen verkocht het maalwerktuig in 1956 aan Staatsbosbeheer. Dat was inclusief de peilschaal die door van de Laar bij de sluizen was aangebracht. Dochter Liza plachtte bij het zien van de peilschaal te zeggen: “Is nog steeds niet terugbetaald!”

 

Als laatste van het viertal op de Kampweg overleed dochter Annie op 98-jarige leeftijd in 2015. Ze was niet getrouwd, maar was als een tweede moeder voor haar neefjes en nichtjes die graag langskwamen. De Leumolen uit ca 1955 sierde haar rouwkaart:

 

 

 

                                                                                                   met dank aan Roel van de Laar

 

 

De allerlaatste molenaar

 

Geen vakmolenaar, geen vrijwillig molenaar maar de allerlaatste molenaar was Mathieu Naus die al sinds 1927 op Leu woonde. Tot Staatsbosbeheer in 1960 tot restauratie overging, maalde hij nog geregeld gerst voor eigen gebruik.

 

 

 

                                                                 

                 1957: Ursula nog steeds afwezig, de molenaar vertrokken, de klimop komt om de hoek en

                                                                                het wegdek van de brug is vernieuwd (Foto: F. Lahaye)

 

 

 

 


 

 

 

 Site Leumolen