Visvang

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

Visvang

 

Vissen die stroomafwaarts gaan, zwemmen bij de sluis een val in. Overtollig water vindt zijn weg over de losschuiven, de vissen blijven achter in de stuw. Als de schuiven opengetrokken worden kunnen ze verder, maar ze kunnen ook afgevangen worden in de visvang. De visvang of visbeun is de smalle sluis tussen de maalsluis en de lossluis. De bodem is verhoogd en bestaat uit een rooster. Ook het uiteinde van de sluis is (was) afgesloten met een rooster.

 

Als de schuif van deze sluis opgetrokken wordt en de andere blijven dicht, zal de vis via deze sluis stroomafwaarts gaan. Jonge vis glipt door de roosters heen, grotere vissen blijven achter. Als de schuif weer gesloten wordt stroomt het water vanwege de verhoogde vloer uit de sluis weg. De vis blijf achter op het droge en ligt voor het oprapen.

 

Voor veel molenaars was dit een aanzienlijke bron van inkomsten. Als de sluis wordt opengetrokken, ontstaat er een sterke trek bij de bodem van de stuw waar de paling zich ophoudt en daarom was vooral de palingvangst ooit lucratief. De constuctie wordt daarom ook wel aalbak of aalkorf genoemd. Bij de Schaloensmolen heet de vanginrichting visbak.

 

Vooral op donderdag werd gevangen om op de vleesloze vrijdag een alternatief te kunnen bieden. Naar verluid waren er perioden dat de inkomsten van de molenaar voor de helft uit de opbrengst van de visvangst bestond. Als in de 20er jaren van de vorige eeuw twee palingen waren gevangen, fietste de molenaar naar Roermond om de vangst aan de man te brengen: het bracht een dagloon op.

 

 

 

                                  

 

                            foto: P.M.J. van Hooff, ca 1975

 

 

 

Vissen in de ‘kolck van Loe’

 

In 1698 is deze constructie nog niet bedacht. Twee molenaars verklaren in een getuigschrift dat met hun toestemming de religieuzen van het St. Elisabethsklooster in de kolk bij de molen kwamen vissen. De geestelijken werden zelfs gewaarschuwd als vis gesignaleerd was (zie pagina “Molenaars”).

 

Een eeuw later zou de visvang er kunnen zijn. In een pachtcontract van 1792 is een bepaling opgenomen met betrekking tot stuwen en lossen ten bate van visserij: “Sal de pagteresse op ons versoek het water ophouden of laeten loopen als wy wegens vischen of andersins noodig hebben”.

 

 

Vissoorten

 

Blankvoorn is verreweg de meest voorkomende vissoort in de beek, riviergrondel, driedoornige stekelbaars en het bermpje bezetten de tweede plaats, zeelt, ruisvoorn, tiendoornige stekelbaars en snoek zijn goede derde. Niet zeldzaam zijn ook kleine modderkruiper, kolblei, vetje, bittervoorn en baars. Tot de weinig tot zeldzaam voorkomende soorten behoren kopvoorn, winde, paling, snoekbaars, pos, zonnebaars, karper, serpeling en rivierdonderpad.

 

(Bron: Waterschap Peel- en Maasvallei, 2004)

 

 

 

                                      

 

 

 

Boerenvlechtingen

 

In 1898 is er een belangrijke verbouwing: het waterrad wordt breder, van 63 naar 90 cm, en de houten beschoeiing van de sluizen wordt vervangen door een bakstenen muur. Het schuine gedeelte van de muur van de visvang is gemetseld in (boeren)vlechtingen of schuine strek.

 

Vlechtingen zijn driehoeken, waarvan één kant de schuine muurlijn vormt. De andere zijden steken in het metselwerk. De bakstenen zijn schuin geplaatst, de stenen aan onderkant van de vlechting zijn in de juiste vorm gehakt. De gekapte stenen bevinden zich zo binnen het muurwerk, het bekapte en daarom kwetsbare oppervlak (vanwege inwateren) is naar beneden gericht. Deze metseltechniek werd ook toegepast bij schuine zijden van gevels; ook de aanbouw van de Leumolen aan de Leuhof-kant heeft boerenvlechtingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Visvang? welke visvang?  De situatie op 14 November 2010: in Limburg viel een grote hoeveelheid

regen, op sommige plekken 80-90 mm in 48 uur. De visvang staat volledig onder water,

het achterwater staat hoog.

 

 

 


 

 

 Site Leumolen