omgeving Zelsterbrug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zelsterbrug

 

Doorwaadbare plaats

 

De snel en krachtig stromende beken van het Leudal waren maar op enkele plaatsen over te steken. Oude wegen leiden daarom naar de spaarzame doorwaadbare plaatsen en bij de Zelsterbrug, eens zon doorwaadbare plaats, komt zelfs een aantal wegen bijeen. Paden uit de richting van St. Servaes, Nunhem, de Leumolen, Haelen en het klooster St. Elisabethsdal komen samen kort voor de eens doorwaadbare plek of voorde.

 

 

 

 

Militaire kaart uit 1927, de Zelsterbeek en Leu(r)beek zijn bijgekleurd

KM = korenmolen, de Leumolen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

14 november 2010, het water staat zo hoog, dat de brug nu een doorwaadbare plaats geworden is

 

 

 

 

 

 

 


 

Holle wegen

 

De samenkomende wegen zijn holle wegen, het pad ligt lager dan het omringende gebied en heeft hellende bermen. Holle wegen ontstaan in geaccidenteerd terrein door een samenspel van menselijke activiteit en waterafvoer. Op een eenmaal gebaand pad verdwijnt de vegetatie geheel of gedeeltelijk. De grond wordt losgelopen en losgereden door hoeven, voeten en karrewielen en water dat de helling afkomt spoelt de losgewoelde ondergrond weg. Geleidelijk, over eeuwen, ontstaat een steeds dieper uitslijtende goot. Omdat de grond leemachtig is, storten de bermen niet in zoals bij zandige grond het geval zou zijn.

 

De diepte van de holle weg is afhankelijk van de hellingshoek, de lengte van de helling, de grondsoort, het onderhoud en de mate van gebruik. Holle wegen kunnen een halve meter diep en 20 meter lang zijn, maar ook tien meter diep en twee kilometer lang.

 

 

 

 

 

 

Haam of halsjuk

 

Oude holle wegen zijn nooit steil, men moest het nog zonder haam stellen. De haam is een vinding uit de Middeleeuwen. Het is een houten halsjuk dat om de nek van een paard of os wordt geplaatst, het verdeelt de druk bij het trekken over de borst. Aan de haam kan een kar, ploeg, koets of andere contructie bevestigd worden. Voordat het halsjuk zijn intrede deed, werd een touw in een lus om de hals van het trekdier gelegd. Zwaar trekken trok de lus strak en benam het dier de adem, een helling moest daarom geleidelijk aan beklommen worden. Maar ook na de komst van de haam werden al te steile hellingen vermeden.

 

 

 

 

Vincent van Gogh, Nuenen 1884

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Home Sterlocaties Leudal

 

 

Site Leumolen